
Hoge Raad: 8% belastingrente Vpb onverbindend
19-1-2026 De per 1 januari 2022 ingevoerde verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting naar 8%, zoals vastgelegd in het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi), is niet rechtsgeldig.De betreffende bepaling is in strijd met zowel het evenredigheidsbeginsel als het gelijkheidsbeginsel en kan daarom niet worden toegepast. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
Juridische context
De procedure
Het Bbi, een algemeen verbindend voorschrift, bepaalt dat het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting vanaf 1 januari 2022 is gekoppeld aan de wettelijke handelsrente, met als minimum een tarief van 8%. Voor andere belastingen waarvoor belastingrente wordt berekend, schrijft het Bbi een lager percentage voor.
In deze zaak kreeg een besloten vennootschap bij een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 8% belastingrente opgelegd. De rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat de bepaling in het Bbi die deze verhoging regelt, tot stand is gekomen in strijd met algemene rechtsbeginselen, met name het evenredigheidsbeginsel, en verklaarde die bepaling daarom onverbindend.
Omdat deze uitspraak leidde tot een groot aantal bezwaren van andere belastingplichtigen tegen in rekening gebrachte belastingrente, stelde de Staatssecretaris van Financiën rechtstreeks cassatieberoep in bij de Hoge Raad (sprongcassatie, waarbij het hoger beroep wordt overgeslagen). Daarnaast gaf de Staatssecretaris een aanwijzing massaal bezwaar af, waardoor de uitkomst van deze procedure direct doorwerkt in de afhandeling van die bezwaren.
Amicus curiae
Sinds medio 2021 kunnen de hoogste bestuursrechters, waaronder de belastingkamer van de Hoge Raad, in individuele zaken derden uitnodigen om hun visie te geven. Gelet op de mogelijke bredere gevolgen van deze uitspraak heeft de Hoge Raad ook andere ondernemingen en organisaties in de gelegenheid gesteld hun standpunten kenbaar te maken. Voor de belastingkamer betrof dit de eerste toepassing van de amicus-procedure. In totaal zijn 149 reacties ontvangen, die geanonimiseerd zijn gepubliceerd.
Conclusie van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal adviseerde de Hoge Raad op 1 oktober 2025 om de verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting naar 8% onverbindend te verklaren. Volgens de AG heeft de besluitgever met deze maatregel de grenzen van de gedelegeerde regelgevende bevoegdheid overschreden.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad stelt allereerst vast dat de bepaling in het Bbi over de hoogte van de belastingrente past binnen de ruimte die de wetgever via de algemeen geformuleerde delegatiebepaling in de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft geboden. De besluitgever is dus binnen zijn formele bevoegdheden gebleven. Ook biedt de delegatiegrondslag geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het rentepercentage niet hoger mag zijn dan het daadwerkelijke rentenadeel van de Staat.
Verder onderschrijft de Hoge Raad het uitgangspunt van de rechtbank dat het Bbi geen wet in formele zin is. Daarom staat het de belastingrechter vrij om te toetsen of bepalingen uit het Bbi in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen.
Zorgvuldigheid en motivering
Bij de beoordeling van een algemeen verbindend voorschrift aan de hand van de beginselen van zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering geldt, aldus de Hoge Raad, dat bij een fiscale regeling die leidt tot hogere lasten moet worden nagegaan of de belangen van de getroffen belastingplichtigen zijn meegewogen. In dit geval kan ervan worden uitgegaan dat dit is gebeurd. Bij de totstandkoming van de regeling is namelijk erkend dat de verhoging door betrokken vennootschapsbelastingplichtigen als een lastenverzwaring wordt ervaren en dat het voorstel niet algemeen als wenselijk werd gezien. Desondanks achtte het kabinet de verhoging gerechtvaardigd. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de regeling zorgvuldig is voorbereid en voldoende is onderbouwd.
Evenredigheid
De rechtbank heeft het verhoogde belastingrentepercentage vervolgens terecht getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Daarbij geldt dat de nadelige gevolgen voor belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de regeling worden nagestreefd. De rechter kan daarbij kijken naar geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwicht. Omdat bij deze regeling politieke en bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt, dient die toetsing terughoudend te zijn.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de verhoging van het belastingrentepercentage primair een budgettair doel dient. De Hoge Raad heeft geen andere zwaarwegende doelstellingen kunnen vaststellen die specifiek een hoger rentepercentage voor de vennootschapsbelasting zouden rechtvaardigen.
Wanneer een lastenverzwaring hoofdzakelijk budgettair is ingegeven, is zij in strijd met het evenredigheidsbeginsel als deze zonder toereikende reden uitsluitend bij één groep belastingplichtigen wordt neergelegd. In dat opzicht raakt het evenredigheidsbeginsel aan het gelijkheidsbeginsel. Daarom moest worden onderzocht of de besluitgever zonder goede rechtvaardiging alleen voor vennootschapsbelastingplichtigen het rentepercentage tot 8% heeft verhoogd. Voor de berekening van belastingrente moeten vennootschapsbelastingplichtigen en andere belastingplichtigen als gelijke gevallen worden beschouwd.
De Hoge Raad heeft geen redelijke rechtvaardigingsgronden kunnen vinden voor deze selectieve verhoging. De extra belastingrente is daarmee zonder goede reden uitsluitend bij vennootschapsbelastingplichtigen neergelegd. De betreffende bepaling van het Bbi is daarom in strijd met zowel het evenredigheidsbeginsel als het gelijkheidsbeginsel.
Conclusie
Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen. De bepaling in het Bbi die de verhoging naar 8% regelt, is onverbindend en blijft buiten toepassing. Partijen zijn het erover eens dat in dit geval de belastingrente moet worden berekend tegen een tarief van 4%.
Gevolgen voor andere zaken
Met het oog op de vele lopende procedures over dit onderwerp merkt de Hoge Raad nog het volgende op. Door de onverbindendverklaring van de specifieke regeling voor de vennootschapsbelasting geldt voortaan de algemene regel van het Bbi. Dat betekent dat het belastingrentepercentage gelijk is aan de normale wettelijke rente (niet zijnde de handelsrente), met een minimum van 4%. In de jaren 2022 en 2023 bedroeg dit percentage eveneens 4%.
Deze vorm van rechtsherstel voorkomt een ongerechtvaardigde selectieve lastenverzwaring. Het aldus geldende percentage levert voor de jaren 2022 en 2023 geen strijd op met het evenredigheidsbeginsel. Hetzelfde geldt voor het per 1 januari 2024 ingevoerde minimumpercentage van 4,5%.
Bron: sra.nl