Geen box 3‑herstel voor niet‑bezwaarmakers

23-4-2026 De Rechtbank Gelderland oordeelt dat de Belastingdienst niet verplicht is om de IB/PVV-aanslagen over de jaren 2017 tot en met 2020 ambtshalve te verlagen.

Voor belastingplichtigen die destijds geen bezwaar hebben gemaakt, geldt het zogeheten Kerstarrest als nieuwe rechtspraak, waardoor zij geen aanspraak kunnen maken op herstel via een verzoek om ambtshalve vermindering.

In deze zaak gaat het om een man die over de jaren 2017 tot en met 2020 aanslagen IB/PVV heeft ontvangen waarin inkomen uit sparen en beleggen (box 3) is opgenomen. Zijn vermogen bestond in die periode grotendeels uit spaargeld: circa 99% in de jaren 2017 tot en met 2019 en ongeveer 93% in 2020. De grondslag lag telkens rond de € 1,27 tot € 1,39 miljoen. Het daadwerkelijke rendement bleef aanzienlijk achter bij het forfaitaire rendement. Naar aanleiding van het Kerstarrest diende hij in het najaar van 2022 verzoeken in om zijn aanslagen te laten verminderen, maar de inspecteur wees deze af. Vervolgens ontstond een geschil over de vraag of iemand die geen bezwaar had gemaakt alsnog recht heeft op compensatie in box 3.

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad op 20 mei 2022 heeft geoordeeld dat het Kerstarrest in dit soort situaties moet worden gezien als nieuwe jurisprudentie volgens artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001. Dat betekent dat de inspecteur een verzoek om ambtshalve vermindering mag afwijzen wanneer de aanslagen op 24 december 2021 al definitief waren. Volgens de rechtbank is die lijn correct toegepast. De man kan dus niet alsnog via deze route herstel afdwingen voor zijn aanslagen over 2017 tot en met 2020, ook al was zijn werkelijke rendement veel lager dan het fictieve rendement. Voor niet-bezwaarmakers biedt het Kerstarrest zelf geen oplossing.

Ook de overige argumenten van de man worden door de rechtbank verworpen. Zo volgt zij hem niet in zijn betoog dat eerdere rechtspraak al zou aantonen dat de aanslagen onjuist waren. Evenmin slaagt zijn beroep op onder andere het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het fair play-beginsel en bepalingen uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarbij sluit de rechtbank aan bij een eerdere uitspraak van Rechtbank Den Haag van 26 juni 2025.

Tot slot oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De man heeft destijds geen bezwaar gemaakt binnen de wettelijke termijn, simpelweg omdat hij daar toen geen aanleiding toe zag. Dat het Kerstarrest later alsnog aanleiding gaf om actie te ondernemen, maakt dit volgens vaste rechtspraak niet anders. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Bron: taxence.nl