Box 3-tussenstap blijft overeind

25-6-2026 Het kabinet blijft ervan uitgaan dat de Wet werkelijk rendement in box 3 op 1 januari 2028 van kracht kan worden.

Tegelijkertijd constateert het kabinet dat er zowel politiek als maatschappelijk veel draagvlak bestaat voor een latere overgang naar een volledig stelsel van vermogenswinstbelasting.

Dit blijkt uit de nota naar aanleiding van het tweede verslag die aan de Eerste Kamer is gestuurd. De senaat sprak zich eind mei nog uit over de verschillende knelpunten en afwegingen rondom box 3.

Het wetsvoorstel introduceert vanaf 2028 een belastingheffing in box 3 op basis van het daadwerkelijk behaalde rendement via een vermogensaanwasbelasting. Hierbij worden ook nog niet gerealiseerde waardestijgingen jaarlijks belast. Voor onroerend goed en aandelen of winstbewijzen in startende ondernemingen geldt in het voorstel al een vermogenswinstregime, waarbij belasting pas verschuldigd is op het moment dat de winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

Tussenfase richting vermogenswinstbelasting

Volgens het kabinet heeft de vermogensaanwasbelasting een tijdelijk karakter. In het coalitieakkoord is afgesproken om uiteindelijk toe te werken naar een volledig systeem van vermogenswinstbelasting. Ook de Tweede Kamer heeft deze wens ondersteund via verschillende moties.

Desondanks wil het kabinet niet wachten met het huidige wetsvoorstel totdat een volledige vermogenswinstbelasting kan worden ingevoerd. De vermogensaanwasbelasting wordt gezien als een oplossing voor de korte termijn. De verdere ontwikkeling naar een vermogenswinstbelasting wordt bovendien niet gekoppeld aan de verplichte evaluatie die binnen drie jaar na invoering moet plaatsvinden. Evenmin acht het kabinet een horizonbepaling noodzakelijk.

Inmiddels zijn de eerste gesprekken gevoerd met externe belanghebbenden en ketenpartners over de vormgeving van een volledige vermogenswinstbelasting. Daarnaast onderzoekt het kabinet de financiële effecten en de gevolgen voor uitvoerbaarheid en wetgeving. De Eerste Kamer zal hierover op een later moment nader worden geïnformeerd. Eerst verschijnt een hoofdlijnenbrief waarin de contouren van het nieuwe stelsel worden geschetst. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan een conceptwetsvoorstel.

Volledige overgang niet haalbaar in 2028

Volgens het kabinet is invoering van een brede vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 niet uitvoerbaar. Hiervoor zijn niet alleen aanpassingen nodig bij financiële instellingen, maar ook een omvangrijk wetgevingstraject en implementatie door de Belastingdienst.

De Nederlandse Vereniging van Banken heeft volgens het kabinet meermaals aangegeven dat een vermogensaanwasbelasting eenvoudiger en sneller kan worden ingevoerd dan een vermogenswinstbelasting. De vereniging steunt echter wel het streven om uiteindelijk zo snel mogelijk over te stappen naar een vermogenswinstbelasting. Daarbij moeten nog verschillende praktische vraagstukken worden opgelost, waaronder de overdracht van gegevens wanneer een klant van bank wisselt.

Voor het huidige wetsvoorstel blijft 2028 echter het beoogde invoeringsjaar. Naar aanleiding van vragen van de VVD over de haalbaarheid van die datum benadrukt het kabinet dat de planning nog steeds realistisch is. Het kabinet zegt bovendien geen wijzigingen voor te stellen die de invoering per 2028 in gevaar brengen.

Aanlevering van gegevens verloopt volgens planning

Voor een goed functionerend nieuw box 3-stelsel is de aanlevering van gegevens door banken en andere financiële instellingen essentieel. De Belastingdienst onderhoudt hierover intensief contact met de sector. Volgens het kabinet verloopt de implementatie van deze gegevensuitwisseling, die ongeveer anderhalf jaar in beslag neemt, volgens schema.

De invoering van het nieuwe systeem heeft wel gevolgen voor de ICT-planning van de Belastingdienst. De benodigde aanpassingen aan de systemen voor de inkomstenbelasting zijn omvangrijk. Hierdoor zullen bepaalde verbeteringen in processen waarschijnlijk pas vanaf 2029 kunnen worden doorgevoerd. Ook blijft er in dat jaar minder capaciteit over voor andere wijzigingen binnen de inkomstenbelasting.

Tijdelijke bronheffing geen haalbare optie

Een tijdelijke bronheffing naar Duits model wordt door het kabinet niet gezien als een werkbaar alternatief. Een dergelijk systeem zou aanzienlijke aanpassingen vereisen van banken en andere financiële instellingen, zowel in hun administratieve processen als in hun IT-omgeving. Ook de systemen van de Belastingdienst zouden moeten worden aangepast.

Daarnaast merkt het kabinet op dat een bronheffing uitsluitend betrekking kan hebben op vermogen dat bij banken of financiële instellingen wordt aangehouden. Andere vermogensbestanddelen, zoals roerende en onroerende zaken, bepaalde rechten daarop en onderlinge familie- of gelieerde vorderingen, vallen buiten zo’n systeem. Daarom acht het kabinet deze oplossing niet geschikt voor de overgangsperiode.

Mogelijke wijzigingen na augustusbesluitvorming

Het kabinet bekijkt momenteel of het wetsvoorstel op onderdelen moet worden aangepast. Eventuele wijzigingen en de financiering daarvan worden meegenomen in de besluitvorming die in augustus plaatsvindt. Wanneer maatregelen leiden tot lagere belastingopbrengsten, moet daarvoor een financiële dekking worden gevonden.

De voorkeur gaat uit naar een afzonderlijk wetsvoorstel waarin uitsluitend de aanpassingen aan de Wet werkelijk rendement box 3 en de daarbij behorende dekking worden opgenomen. Het kabinet geeft echter geen garantie dat dit ook daadwerkelijk zo zal gebeuren. Voor de uiteindelijke invoering van een volledige vermogenswinstbelasting zal in ieder geval een apart wetgevingstraject nodig zijn.

Een van de opties die wordt onderzocht, is de mogelijkheid om verliezen vanaf 1 januari 2029 één jaar terug te wentelen. Volgens het kabinet zijn de mogelijke aanpassingen vooral bedoeld om ongewenste effecten van de vermogensaanwasbelasting te beperken en zo voldoende politiek en maatschappelijk draagvlak te behouden.

Rente op consumptieve leningen blijft aftrekbaar

De nota bevat daarnaast enkele relevante fiscale verduidelijkingen voor adviseurs. Het kabinet bevestigt dat alle schulden die niet onder box 1 of box 2 vallen, worden aangemerkt als box 3-schulden. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het doel waarvoor het geleende geld is gebruikt.

Dit betekent dat ook rente op leningen voor bijvoorbeeld een auto of caravan aftrekbaar blijft in box 3. Het kabinet stelt dat een onderscheid tussen verschillende typen schulden het systeem aanzienlijk ingewikkelder zou maken en zou kunnen leiden tot discussies over de juiste toerekening van schulden. Gemengde kosten blijven echter uitgesloten van aftrek.

Vakantiewoningen blijven onderdeel van box 3

Ook de vastgoedbijtelling blijft onderwerp van debat. Het kabinet deelt niet de opvatting dat een vakantiewoning die uitsluitend privé wordt gebruikt geen belastbare inkomensbron vormt. Volgens het wetsvoorstel wordt geen onderscheid gemaakt tussen een tweede woning die wordt aangehouden met het oog op rendement en vastgoed dat hoofdzakelijk voor eigen gebruik wordt aangehouden.

Het kabinet komt op een later moment terug op zowel het vastgoedbijtellingspercentage als de fiscale behandeling van vakantiewoningen. Daarbij wordt verwezen naar aangenomen moties over de actualisering van het percentage en aanvullend onderzoek naar de rendementen van vakantiewoningen in privébezit. Verdere informatie hierover wordt verwacht op Prinsjesdag.

Bron: accountancyvanmorgen.nl